De internationale revolutie gaat niet voorbij!

Beter onderwijs en betere coaching van ondernemingen moeten onze economie weer in de Europese kopgroep brengen, meent Urbain Vandeurzen. Met Flanders Make trekt hij de kar, maar hij stopt ook zijn eigen geld in de nieuwe economie.

Flanders Make is het onderzoekscentrum van de Vlaamse maakindustrie. Urbain Vandeurzen, gewezen CEO en grootaandeelhouder van de test- en simulatiespecialist LMS, is de voorzitter. Tijdens het Flanders Make Symposium in november kondigde hij aan dat hij samen met onder andere de Nederlandse ondernemer Marc van Gelder een nieuw investeringsfonds opzet. Het fonds zal investeren in maakbedrijven, gezondheidszorgtechnologie en retail. Het is een goed moment, vindt Vandeurzen, omdat de digitale revolutie de bedrijfsmodellen verstoort en mogelijkheden opent voor nieuwe spelers.

Is de Vlaamse maakindustrie klaar voor wat de Duitsers Industrie 4.0 noemen, de digitale revolutie?

Vandeurzen: “Goede vraag. De industrie was de jongste vijftien jaar gemiddeld goed voor ongeveer 20 procent van het bbp in Europa. Dat aandeel is teruggevallen naar 15 procent. In Duitsland is het gestegen naar 23 procent, in België is het met meer dan een kwart gezakt, richting 14 à 15 procent. Wij hebben potentieel, maar om dat te benutten moeten we veel forser inzetten op differentiatie en innovatie. We vertellen bedrijven dat ze drie dingen moeten doen: voluit digitaal gaan; investeren en hun aanbod opwaarderen; en heel snel actie nemen, niet op de lange baan schuiven.”

Wat is voor u Industrie 4.0?

Vandeurzen: “Drie dingen: alles wordt verbonden; alles wordt slimmer; en producten op maat van de klant, maar tegen de kostprijs van serieproductie. Niet alleen de producten worden verbonden met hun omgeving, ook het productieproces. Er komt een geïntegreerde logistiek tussen de productiesystemen. Dat geldt ook voor de slimme producten. In voertuigen is men jaren geleden begonnen met actieve veiligheid, met de ABS-systemen. Nu zijn we bij volledig geïntegreerde actieve veiligheidssystemen, bij communicatie tussen voertuigen en communicatie van het voertuig met zijn omgeving. Al die systemen draaien op sensoren, controllers en actuatoren. Daar zitten kansen voor heel veel bedrijven.

“De winst verschuift naar de ingebouwde intelligentie. In de autobouw krijgt je een gevecht tussen de klassieke autofabrikanten en de softwarefabrikanten, de Googles en andere. Er komen nieuwe mogelijkheden voor gespecialiseerde partijen rond sensoren, informatietechnologie en big data. Vliegtuig- en scheepsmotoren zullen vol sensoren zitten, zodat je aan onderhoud kunt doen voordat er problemen zijn. De toegevoegde waarde verschuift, maar ook het contact met de klanten. Gaat het in de toekomst over het verkopen van een auto of over het leveren van een mobiliteitsdienst door een IT-bedrijf zoals Uber? De fabrikant levert dan nog wel het voertuig, maar communiceert uiteindelijk niet meer met de klant. Daar zijn autofabrikanten bang voor, want dan worden ze een toeleverancier van een mobiliteitsdienst. In veel sectoren zie je nieuwe specialisaties opkomen, met andere actoren.”

Loopt het echt zo’n vaart? De bestaande spelers zullen zich aanpassen.

Vandeurzen: “De grootste fout die we kunnen maken, is te denken dat dit gewoon passeert. Of dat het stap voor stap zal gebeuren. Dan ben je op een dag verrast dat de wereld radicaal is veranderd. Iedere onderneming moet beginnen na te denken over wat dit voor haar betekent.

“We zullen veel meer gepersonaliseerd kunnen werken. In de middeleeuwen werden schoenen op maat gemaakt. Toen kwam de massaproductie. Nu kunnen we uw voet in 3D opmeten en uw schoenen in 3D printen. De uitdaging is dat zodanig te automatiseren dat het tegen de kostprijs van massaproductie kan. Vandaag sturen we reserveonderdelen de wereld rond. Straks is dat een digitaal bestand naar een servicecenter in Singapore, waar een lokale werkplaats het print. Dat geeft heel andere ecosystemen.

“In de toekomst moeten we ook veel meer designgericht werken. Veel meer nadenken over wat attractieve producten zijn en hoe je nieuwe technologie en nieuwe materialen kunt gebruiken om mooie dingen te maken. En dan moet je de productie misschien niet noodzakelijk zelf organiseren.

“Groot-Brittannië heeft al maakcampussen, op de terreinen van vroegere auto- of luchtvaartbedrijven. Ze brengen zakelijke diensten, productiefaciliteiten, incubatoren en onderzoeksorganisaties samen in een heel dynamische wereld. Je krijgt nieuwe manieren om bedrijven op te zetten: veel minder kapitaalintensief, veel sneller aan de bak. Dat werkt. De parkings op de Corda Campus voor start-ups in Hasselt staan overvol. LRM heeft voorgesteld een deel van de Ford-site in Genk in te richten als een maakcampus. Flanders Make wil daar als aantrekkingspool een demofabriek bouwen voor de nieuwe productietechnieken.”

Wat kunnen we leren van Duitsland?

Vandeurzen: “De kracht van de Duitse economie zijn enerzijds de grote trekkers. Denk aan de grote automobiel-fabrikanten, maar ook bedrijven als Bosch en Siemens, die allemaal heel sterk samenwerken met researchorganisaties zoals Fraunhofer. Anderzijds heeft Duitsland veel sterke middelgrote familiale bedrijven, die zeer innovatief zijn en ook heel goed samenwerken. Maar dan is er een laag kmo’s die niet klaar is voor Industrie 4.0 en zelfs niet voor 3.5. Daarvoor zijn nu regionale innovatiehubs geïnstalleerd. Die begeleiden kmo’s over strategie, bedrijfsmodel en technologie. Nadenken over het product of de dienst die je kunt leveren, of je dat nog zelf doet, met wie je moet samenwerken en hoe je daaraan geld kunt verdienen, met welke klanten en welke leveranciers. Dat zijn serieuze oefeningen. Begeleiding is echt nodig.”

Moet de overheid de overgang naar de digitale economie subsidiëren?

Vandeurzen: “De Europese Commissie wil dat de industrie tegen 2020 opnieuw 20 procent van het bbp levert. Dat zal niet gebeuren. Een studie van Roland Berger schat dat Europa tot 2030 ongeveer 90 miljard euro per jaar zal moeten investeren om bij de voorlopers te komen. Dan zou je 1 procent extra bbp-groei hebben. Omgekeerd, als we die slag verliezen, is het risico dat er ongeveer 700 miljard euro omzet wegvalt in Europa.

“Europa heeft al heel veel momenten gemist. Geen van de grootste twintig IT- en socialemediabedrijven volgens beurskapitalisatie is Europees. Als we er ook niet in slagen onze sterke industrie de digitalisering in te loodsen, dan zijn er niet zoveel sectoren meer waarin we kunnen uitblinken. Dat lukt alleen met een fors investeringsprogramma. Duitsland heeft al sinds 2013 een federaal Industrie 4.0-programma van 200 miljoen euro. Bijna elke regio heeft daar een complementair programma naast gezet. Dus ja, Vlaanderen moet een fors investeringsprogramma lanceren met een engagement van de overheid, maar ook van de bedrijven en de onderzoeksinstellingen. We moeten de krachten meer bundelen. Vanuit Flanders Make gaan we veel meer de brug slaan naar imec en iMinds voor sensoren en software-applicaties.”

De digitalisering duwt een grote groep mensen uit de boot, zegt men. Overdreven?

Vandeurzen: “Je hebt de twee uitersten nodig: laaggeschoolden voor ondersteunende jobs, maar veel meer kenniswerkers en hooggeschoolden. De middengroep moet hogerop geraken. Onze beste investering – naast kostenefficiëntie en infrastructuur – is in talent. Meer digitale vaardigheden aanleren in het onderwijs, meer ondernemerschapsattitude… Daar moet de groei vandaan komen. In de leerplannen moet flexibiliteit, zodat we ons kunnen aanpassen aan de nieuwe vragen.”

U richt een investeringsmaatschappij op. Is dat een gat in de markt? Er zijn banken, de beurs, Gimv, anderen…

Vandeurzen: “Er zijn niet zoveel investeringsfondsen die zich richten op technologie, digitalisering en innovatie. Er wordt veel gepraat over investeren in innovatie, maar in de praktijk zoeken investeerders relatief zekere cashflows en een beperkt risico. De meeste fondsen worden ook opgericht voor een bepaalde duur. Als ze ten einde lopen, moeten zij hun activa te gelde maken. Dan gaat het er niet om of een bedrijf nog veel groeipotentieel heeft, maar dat er een exit moet zijn.

“Ons idee is vrij eenvoudig. Marc van Gelder, een aantal ondernemers en ik willen kapitaal koppelen aan kennis en ondernemerservaring. Samen met een managementteam investeren we in sectoren die in transformatie zijn en in bedrijven die internationaal kunnen doorgroeien. Je zult ons niet zien in de heel actieve Vlaamse startersscene. Wel in bedrijven die al een product en klanten hebben, en internationaal gaan. Vandaag kiezen die ofwel voor Angelsaksisch kapitaal, ofwel voor een verkoop. Wij zien potentieel om die bedrijven door een volgende groeifase te coachen en zo meer waarde te scheppen. De digitale transformatie van de economie, of dat nu industrie of diensten zijn, is de leidraad. Het zal gaan over hightech en industrie, digitale gezondheidszorg en bigdatatoepassingen in de consumenten- en retailsectoren. We bekijken bedrijven die daarmee bezig zijn, innovatief, met een goed management en een internationaal parcours.”

Hebt u al een lijstje investeringskandidaten?

Vandeurzen: “De dossiers komen bijna dagelijks binnen (lacht). Het punt is altijd: hebben die bedrijven een visie op de toekomst? Zien ze het gat in de markt? Kunnen ze daarin op basis van hun kennis en technologie marktleider worden? In welk stadium zit het bedrijf? Is het concept al bewezen? Kan het management de groei doortrekken? Moet er versterkt worden? Wat zijn de kapitaalmiddelen? En welk netwerk en ondersteuning moet je aan boord brengen?”

Hoe groot worden de investeringen van het fonds?

Vandeurzen: “Wij zullen in de honderden miljoenen gaan. Dit wordt een substantieel fonds. Want dan kunnen we een steviger managementteam binnenhalen en de grotere dossiers bekijken. In die bedrijven heb je vaak ook al een sterker management. De meer concrete zaken – de grootte van het fonds, de omvang van de investeringen, de andere investeerders, meer details over de sectoren – maken we in het voorjaar bekend. Misschien zijn er tegen dan al een of twee dossiers rond. Uiteraard bekijken we vanuit ons family office al een aantal dossiers, die we in eerste instantie zelf nemen, maar die kunnen doorgeplaatst worden naar het fonds.”

U zorgt voor Vlaamse verankering?

Vandeurzen: “De verankeringsgedachte was vroeger te defensief: bedrijven hier houden. Soms brengt het meer baat zo’n bedrijf in een groter geheel te plaatsen en dat geld te investeren in nieuwe ondernemingen. Die keuze hebben we met LMS gemaakt (begin 2013 verkocht aan Siemens, nvdr). Voor mij is dat de moderne manier om ondernemend kapitaal hier te houden en de ondernemingsgeest door te laten groeien in nieuwe bedrijven.”

Wordt dat een trend? Ondernemers die hun middelen herinvesteren?

Vandeurzen: “Ik denk het wel. Kijk naar Filip Balcaen met Baltisse, naar Marc Coucke. Politici kijken soms te eenzijdig naar successen. Als dat geld geherinvesteerd wordt in de economie, mét kennis, schep je een grotere dynamiek. In Scandinavië en Nederland is dat gebeurd en heb je investeringshuizen met een ondernemende cultuur die grote bedrijven maken.”

Geen meerwaardebelasting voor u dus?

Vandeurzen: “Tussen 2000 en 2010 hebben durfkapitaalbedrijven in technologie helemaal niets verdiend. Veel partijen hebben zich teruggetrokken. De Europese Investeringsbank is vandaag de grootste risicokapitaalverschaffer van Europa. Dat is niet haar rol. Ze springt in omdat het privékapitaal het laat afweten. Maar als je dan in je portefeuille een keer een winnaar hebt, dan zou je daar nog eens de volledige fiscaliteit overheen krijgen? Het is een totaal verkeerd signaal. België staat al op nummer 3 in vermogensbelasting. Dat je in een paar jaar de roerende voorheffing van 15 tot 30 procent optrekt, is not done. Ik zie geen andere landen waar dat soort radicale stappen gebeurt.”

Minister van Economie Kris Peeters wil gewoon een achterpoortje sluiten.

Vandeurzen: “Hij zou ondernemers beter aanmoedigen te herinvesteren of met iets nieuws te starten. Dat is een enorme bron van fiscale opbrengsten. Het is ook tegenstrijdig spaarders te mobiliseren om te investeren in de economie, en tegelijk de ondernemers zwaar aan te pakken.

“Maar ik heb alle begrip voor een grondige hervorming van de vennootschapsbelasting, zolang ze de economie ondersteunt en er geen ballast bovenop gooit.”

Bent u nog geïnteresseerd in een participatie in Gimv?

Vandeurzen: “Neen. Dat is een afgesloten verhaal.”

Bron: Trends (Bruno Leijnse – 26/12/2016)